Als vrijwilliger via een grote hulporganisatie aan de slag in een ontwikkelingsland? Vergeet het maar. Op enkele uitzonderlijke gevallen na zetten organisaties als het Rode Kruis, Oxfam Novib en Cordaid geen vrijwilligers in. Belangrijkste reden: de lokale bevolking kan beter zelf de handen uit de mouwen steken.

Kan ik als vrijwilliger zelf uitgezonden worden om te assisteren bij de noodhulpprogramma’s in Azië? Of kan ik een kindje adopteren uit de gebieden die getroffen zijn door de tsunami? Vlak na de overweldigende natuurramp in Zuidoost-Azië en Afrika werd Plan België overspoeld met dit soort vragen. Maar telkens luidde het antwoord vastberaden: nee. De organisatie zond geen vrijwilligers uit naar de getroffen regio’s. Wel opende Plan België na de ramp een apart rekeningnummer voor giften voor noodhulp en traumaverwerking. Een kleine handreiking aan de intensief meelevende donateurs.

Plan België

Plan België was niet de enige organisatie in België en Nederland die na de ramp op tweede kerstdag 2004 werd bedolven onder de verzoeken van geëmotioneerde mensen. De ravage na de tsunami maakte zoveel los, dat zij popelden om ook zelf de handen uit de mouwen te steken in de getroffen gebieden. Bij het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) was zelfs een speciaal formulier verkrijgbaar, zodat mensen met behoud van hun WW-uitkering aan de slag konden bij een wederopbouwproject in Azië of Afrika. Net als Plan België reageerden ook andere grote hulporganisaties zeer gereserveerd op deze stroom van verzoekjes. De overwegingen daarvoor waren allereerst heel praktisch: de samenwerkende hulporganisaties achter gironummer 555 waren er simpelweg niet op ingericht om mensen uit te zenden, maar om fondsen te werven. Daarnaast waren de organisaties bang dat de vrijwilligers de professionals voor de voeten zouden lopen. Hulpverlening is een vak, geen hobby, klonk het in de media.

Tsunami hulp

Koen Baetens van Rode Kruis-Vlaanderen kijkt met gemengde gevoelens terug op die hectische periode. ‘Natuurlijk begrepen we dondersgoed dat de mensen zelf wilden meedoen. Dat is een heel menselijke reactie. Maar voor goede en effectieve hulp is een bredere inzet met een professionele coördinatie nodig. Het helpt gewoon niet als we in het wilde weg mensen uitzenden. Maar dat was best moeilijk uit te leggen aan mensen die hun hulp spontaan aanboden.

Zij aanvaardden deze boodschap niet zo gemakkelijk. Toen ik zelf in de getroffen gebieden was, zag ik met eigen ogen hoe groot die hulpdrang was. Ze deelden eigenhandig zakken met cash uit aan de bevolking.’ Ook schoten vlak na de tsunami talrijke privéprojecten als paddenstoelen uit de grond. Mensen die tevergeefs aanklopten bij het Rode Kruis of andere grote organisaties, zochten en vonden hier hun heil. Bijvoorbeeld bij het weeshuis Somawathi Holland House of Hope op Sri Lanka, dat veel aandacht in de media kreeg en honderden vrijwilligers aantrok. De meeste particuliere initiatieven reageerden positief op deze spontane aanmeldingen, blij dat dit deel van het werk hun uit handen werd genomen. Wel eiste het weeshuis op Sri Lanka dat alle helpers op eigen kosten reisden en zelf voor een verblijfplaats zorgden.

Geefpubliek

Terugkijkend luidde de tsunami een nieuw tijdperk in voor wat betreft de relatie tussen ontwikkelingsorganisaties en het publiek. Allereerst creëerde de ramp een nieuw geefpubliek. Dat bleek uit een onderzoek naar filantropie in Nederland, uitgevoerd door de Vrije Universiteit. Mensen die zich voorheen niet zo betrokken voelden bij het ontwikkelingswerk, deden dat daarna wel.

Van de mensen die bij de tsunami voor het eerst geld doneerden, gaf 43 procent een jaar later nog steeds geld voor internationale hulp of voor sociale of maatschappelijke doelen. Daarnaast zorgde de tsunami voor aanmerkelijk meer sympathie voor particuliere initiatieven. Dat deze kleinschalige projecten overgingen tot de inzameling van goederen en de inzet van vrijwilligers, heeft daar zeker toe bijgedragen, analyseerden de onderzoekers. De grote hulporganisaties ontging dat alles niet.

Op verzoek van de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO) verrichtte Annemiek van Voorst in 2005 onderzoek naar het maatschappelijk draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Zij schatte dat jaarlijks ongeveer drieduizend personen een aantal maanden vrijwilligerswerk wilden doen voor een organisatie in een ontwikkelingsland. Omdat deze mensen zich vooral uit ideële overwegingen wilden inzetten, gaven zij volgens Van Voorst de voorkeur aan uitzending via organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Maar in de tijd dat de studie werd uitgevoerd, hielden deze organisaties de deur vrijwel gesloten voor de vrijwilligers. En dat doen zij nog steeds.

Artsen zonder Grenzen

Soms ontstaan er misverstanden over waneer iets vrijwilligerswerk is. Artsen zonder Grenzen afficheert zich bijvoorbeeld van oudsher als een vrijwilligersorganisatie, maar stelt wel degelijk hoge eisen aan het uit te zenden personeel. En daar horen voor Artsen zonder Grenzen inmiddels ook salarissen, arbeidscontracten en opleidingsmogelijkheden bij.

Ook andere hulporganisaties geven de voorkeur aan gespecialiseerde professionals uit België of Nederland, die ter plekke samenwerken met een partnerorganisatie. De redenen hiervoor zijn deels praktisch van aard. ‘Hoezeer wij het aanbod van vrijwilligers ook waarderen, wij hebben niet de middelen om elke vrijwilliger uit te zenden’, legt Erika Frey van Cordaid uit. ‘De organisaties in ontwikkelingslanden waarmee wij samenwerken, kunnen evenmin de diensten van alle vrijwilligers benutten, hoe goedbedoeld hun aanbod ook is.’

Ook wat de visie op ontwikkelingssamenwerking betreft past het uitzenden van vrijwilligers niet bij de reguliere hulporganisaties. Oxfam Novib werkt principieel niet met mensen van hier, maar geeft of leent geld aan lokale organisaties in ontwikkelingslanden. Zij weten namelijk het beste waaraan de bevolking behoefte heeft, zo luidt de redenering. Een soortgelijke filosofie heeft SOS-Kinderdorpen, namelijk dat kinderen moeten worden verzorgd door mensen met dezelfde culturele achtergrond.

Bovendien geeft SOS-Kinderdorpen de voorkeur aan mensen die dit werk langdurig kunnen doen, zodat de kinderen niet steeds aan nieuwe mensen hoeven te wennen. ‘We willen de capaciteit van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden versterken’, vertelt Erika Frey van Cordaid. ‘Waar mogelijk wordt het werk gedaan door lokale mensen, zodat het een bijdrage levert aan de lokale werkgelegenheid. We geloven in de kracht van de mensen zelf. Alleen als die vacatures niet kunnen worden vervuld door deskundigen uit het land zelf of aangrenzende landen, sturen we gespecialiseerd personeel uit Nederland.

Consultants gaan dan voor een kortstondige periode naar het land toe om kennis over te dragen. Ons doel blijft om het werk zo snel mogelijk weer aan de lokale organisaties over te laten.’ ‘De Rode Kruismedewerkers uit Europa hebben door hun opleiding en ervaring een meerwaarde ten opzichte van de lokale mensen’, vult Koen Baetens van Rode Kruis-Vlaanderen aan. ‘Met vrijwilligers kun je die meerwaarde niet zomaar bereiken. In de meeste gevallen is het daarom effectiever om betaalde medewerkers te sturen.’ Een enkele keer zenden de organisaties toch vrijwilligers uit, maar dan gaat het om uitzonderlijke situaties. Zo reisden enkele Belgische vrijwilligers van het Rode Kruis naar Mozambique om hun kennis over eerste hulp over te dragen aan de lokale Rode Kruismedewerkers en hun partnerorganisaties. Maar alleen omdat dit clubje vrijwilligers precies over de juiste expertise beschikte.

Werken bij hulporganisatie

Heeft de grote respons van het publiek in de tijd van de tsunami dan niets losgemaakt bij de grote hulporganisaties? Toch wel. Vorig jaar riepen de gezamenlijke hulporganisaties een loket in het leven om doe-het-zelvers in ontwikkelingshulp beter te bedienen.

Vooralsnog dienen liefhebbers van ontwikkelingswerk bij deze grote hulporganisaties zich vooral in eigen land in te zetten. Zo roepen Oxfam Novib en het Rode Kruis vrijwilligers op om mee te doen aan campagnes en acties op festivals en markten. Op zijn best is het vrijwilligerswerk in het buitenland virtueel van karakter, zoals bij het programma

Deel je talent van Cordaid. Dit programma maakt het mogelijk om je expertise te koppelen aan de behoefte van organisaties in ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld op het gebied van onderzoek, marketing of grafische vormgeving. ‘Het is voor vrijwilligers een mooie manier om direct contact te krijgen met een organisatie in een ontwikkelingsland’, zegt Erika Frey, die coördinator is van dit programma. ‘Je werkt projectmatig en bepaalt samen met de partnerorganisatie hoeveel tijd je erin steekt en wanneer. Hiermee spelen we in op de behoefte van mensen in Nederland om op een toegankelijke manier aan ontwikkelingssamenwerking te doen. Je krijgt inzicht in hoe partnerorganisaties in ontwikkelingslanden werken en je kunt je eigen expertise inzetten.’

Enkele honderden mensen hebben inmiddels belangstelling getoond. Daar zijn een paar succesvolle matches uit voortgekomen, meldt Erika. Zo spoort een antropoloog op verzoek van een partnerorganisatie op West-Kalimantan artefacten uit de Dayak-cultuur op, die in de koloniale tijd onder meer naar Nederland zijn vervoerd. De organisatie op het Indonesische eiland hoopt met deze opgespoorde kunstwerken de jongeren weer in aanraking te brengen met hun culturele erfgoed.

De organisaties in ontwikkelingslanden bepalen zelf welke talenten ze nodig hebben. Zo voorkomt Cordaid dat er vrijwilligers opgedrongen worden aan organisaties die daar op dat moment helemaal niet op zitten te wachten. Om dezelfde reden neemt Cordaid geen open sollicitaties in behandeling of aanvragen voor stage- of afstudeerprojecten in ontwikkelingslanden. En het meeste werk wordt gewoon thuis uitgevoerd, achter de computer. Wat juist heel aantrekkelijk is, vindt Erika. ‘Ontwikkelingshulp is gewoonlijk ver van het bed. Op deze manier komt het toch heel dichtbij.’